banner

Hondenrassen

 
Navigatie
   Woefkesranch
 
FranÁais English Deutsch

Betaling - Reservatie


 

Bezoek ons!
Visitez nous!
Come visit us!
Besuchen sie uns!
 

 

Print Friendly and PDF

Geschiedenis van de Engelse Cocker SpaniŽl

De Engelse Cocker SpaniŽl maakt deel uit van de grote familie van Britse SpaniŽls en continentale Epagneuls, een familie waartoe ook rassen behoren zoals de Drentse Patrijshond, de Epagneul Breton, de Engelse Springer SpaniŽl en de Heidewachtel. De voorlopers van deze honden stonden in de middeleeuwen bekend als de zogenaamde 'vogelhonden'. Deze raakten in zwang voor de jacht op veerwild, omdat jagers de oude jachthonden - zoals Lopende Honden - daarin weinig doeltreffend vonden. De adel jaagde onder andere met stootvogels, bijvoorbeeld met de valk. Het was de bedoeling dat de vogelhond het wild zocht en liet opvliegen, waarna het door de valk kon worden 'geslagen'. Nadat het wild was gevallen, moest de hond het ophalen. Hij mocht daarbij niet ruw omspringen met het slachtoffer, want het was de gewoonte om het fraaie verenpakje geheel of gedeeltelijk als tafelversiering te gebruiken. Daarnaast werd er met verzwaarde netten gejaagd. De vogelhond wees het wild aan en ging liggen. Vervolgens gooiden knechten de netten over het wild en de hond, die het wild weer opjaagde. De vogels vlogen op en raakten verstrikt in de mazen van het net.

Hondenliefhebbers hebben lang gediscussieerd over de herkomst van de SpaniŽl of Epagneul (in Nederland en BelgiŽ Spanjool). Beide namen zijn verbasteringen van het woord 'espagnol', dat 'Spaans' betekent. De vraag was dan ook of deze hond van Spaanse afkomst was. Volgens de in de 15e eeuw vermaarde Franse jager Gaston Phebus, graaf van Foix, in ieder geval wel. Toch is dat vreemd, want op het Iberisch schiereiland zelf lijken nooit spaniŽlachtige honden aanwezig te zijn geweest. Er zijn kynologen die stellen dat de verwijzing 'Spaans' niets met Spanje zelf te mazen heeft, maar met de jachtmethoden die men daar kende. De Romeinen zouden op het Iberisch schiereiland veerwild hebben gevangen met netten, terwijl de Arabieren zich bezighielden met de valkenjacht. Een andere hypothese is dat de rasnaam Epagneul zou zijn afgeleid van het Franse werkwoord 's'espagner', een oude uitdrukking voor 'gaan liggen'. Dat zou verwijzen naar de jachtactie van de honden, die plat op de grond moesten liggen om de jagers niet te hinderen bij het werpen van de netten. Overigens werden de SpaniŽls die bij de jacht met netten behulpzaam waren, in Engeland Setting SpaniŽls of Sitting SpaniŽls genoemd.

Over de herkomst van de SpaniŽls kan dus worden getwist. Wat echter wel is bewezen, is dat deze honden al lang in Groot-BrittanniŽ leefden. Diverse schrijvers uit de 14e, 15e en 16e eeuw spraken in hun boeken hun waardering uit voor SpaniŽls. Zo maakte de dichter Geoffrey Chaucer in zijn Canterbury Tales een nogal gewaagde vergelijking tussen het gedrag van een vrouw ten opzichte van een man, en het gedrag van een SpaniŽl. Hij stelde dat de erg aanhankelijke SpaniŽl 'even lief is als een vrouw die op zoek is naar een man'. Uit een en ander blijkt duidelijk dat er al vanaf de 14e eeuw SpaniŽls in Groot-BrittanniŽ waren.

De rasbenaming SpaniŽl werd eeuwenlang gebruikt voor allerlei spaniŽlachtige honden van een verschillend type. Er waren grote, kleine, zware en lichte honden, jachthonden en gezelschapshonden. Naast algemene SpaniŽls (waarvan de meest directe afstammeling de Engelse Springer SpaniŽl is) bestonden er ook minder grote SpaniŽls en ook hele kleine, miniatuurspaniŽls ('toys'), die vooral in de 16e en 17e eeuw zuiver als gezelschapshond werden gehouden. Er werd een onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde landspaniŽls, die op het droge jaagden, en waterspaniŽls, die voornamelijk voor waterwerk werden ingezet. Van het laatstgenoemde type is tegenwoordig alleen nog maar de Ierse WaterspaniŽl over. De landspaniŽl heeft zich tot in de 20e eeuw in verschillende typen ontwikkeld.

Pas in 1803 kwam de Cocker SpaniŽl voor het eerst in beeld, toen hij werd genoemd in The Sportsman's Cabinet (Het kabinet van de jager). De 'Cocking' of 'Cocker SpaniŽl' werd als een tegenhanger gezien van de 'Springing' of 'Springer SpaniŽl'. Het woord 'springing' verwijst naar het Engelse werkwoord 'to spring' (doen opstoten, opjagen, in dit geval van veerwild). Het woord 'Cocker' is afgeleid van het wild waarop deze SpaniŽl jaagde, namelijk de houtsnip (woodcock) en de fazantehaan (cockphaesant). De houtsnip is een moeilijk te bejagen schemerdier, dat solitair leeft en zich bij voorkeur ophoudt in dicht struikgewas. De Cocker SpaniŽl was gespecialiseerd in de jacht op de houtsnip, omdat hij kleiner was dan de Springer SpaniŽl en daardoor de houtsnip gemakkelijker kon benaderen.

Toch waren de Cockers allerminst uniform van type en gewicht. Zo werden bijvoorbeeld in het Engelse graafschap Sussex SpaniŽls voor de jacht gefokt die veel zwaarder waren gebouwd. In de loop van de 19e eeuw ontwikkelde zich een nieuwe variŽteit, die zwaarder was dan de Cocker: de Field SpaniŽl. Een volwassen exemplaar van de Field SpaniŽl moest zwaarder zijn dan 25 Engelse ponden (ongeveer 11,5 kg). Was hij dat niet, dan werd hij als een Cocker SpaniŽl beschouwd. Natuurlijk veroorzaakte dat veel verwarring. Sommige honden waren als pup Cocker SpaniŽl, maar bleken dan vanwege hun gewicht later een Field SpaniŽl te zijn, en omgekeerd. In 1892 maakte de Britse Kennel Club een eind aan de onduidelijkheid door beide rassen apart te erkennen en het gewicht niet als doorslaggevend te beschouwen. Dat betekende niet dat vanaf dat moment alles glashelder was. Het correcte of ideale type van de Cocker SpaniŽl stond nog jarenlang ter discussie.

Zelfs op tentoonstellingen was het mogelijk dat een hond de ene keer won, en enkele dagen later ergens anders de grote verliezer was.

De gewichtsbepaling voor het type van de Field SpaniŽl bleek trouwens niet erg gunstig uit te pakken voor deze hond. Hij veranderde in een langgerekte, veel te zware hond, die bijna met zijn buik over de grond sleepte. Hij had niets meer van de snelle jachthond die hij eens was, en als gezelschapshond kon hij kennelijk ook niet bekoren. Het gevolg was dat de Field SpaniŽl bijna geheel van het toneel verdween en dat er na de Eerste Wereldoorlog nog maar weinig van het ras over was. Pas in de jaren '30 pakten fokkers de draad weer op, zodat de Field SpaniŽl kon blijven bestaan en er weer normaal ging uitzien.

De Cocker SpaniŽl wist zich wel een vaste plaats te veroveren. Door zijn enorme uithoudingsvermogen, zijn levendigheid en spontaniteit bleek hij niet alleen een voortreffelijke jager te zijn, maar ook een aangename gezelschapshond.

Diverse Britse fokkers die rond de eeuwwisseling actief waren, hebben daartoe het nodige bijgedragen. Zij legden de zo typerende kenmerken van het ras vast, waarbij bijvoorbeeld de in 1879 geboren Champion Ted Obo een belangrijke rol speelde.

Rond 1900 werd een rasstandaard opgesteld, vier jaar later gevolgd door de oprichting van de Britse rasvereniging.

In de Verenigde Staten - waar al in 1881 een rasvereniging werd opgericht - importeerde men veel honden uit Engeland, vooral nakomelingen van de al genoemde Ted Obo. Sommige Amerikaanse fokkers van de Engelse Cocker SpaniŽl sloegen echter al snel een andere weg in. In tegenstelling tot degenen die het behoud van een jachthond vooropstelden, wilden zij een zuiver tentoonstellingstype fokken. Dat leidde uiteindelijk tot de erkenning van de Amerikaanse Cocker SpaniŽl, die uiteraard is ontwikkeld uit de Engelse Cocker door selectie op onder andere een korter hoofd en een overdadiger vacht.

Volgens L. Seegers kwamen er in BelgiŽ en Nederland al eeuwenlang honden voor die precies op Cocker SpaniŽls leken. Hij schreef in 1914 daarover het volgende in zijn boek Hondenrassen: `Als hij van zuiver Engelse afkomst is, hoe moet dan worden verklaard dat men al jaren en jaren geleden niet alleen in BelgiŽ, maar ook in Frankrijk voor de jacht op klein vederwild en op konijnen bij voorkeur een klein hondje gebruikte dat met onze hedendaagse Cocker zoveel overeenkomst had, dat men hem gerust zou kunnen beschouwen als de stamvader van onze tegenwoordige tentoonstellingsexemplaren. (...) Kleine, gedrongen, laag bij de grond staande, maar uiterst vlugge hondjes, met lange, bijna tot op de grond hangende oren en halflangharig. Men noemde ze kleine patrijshondjes, in tegenstelling met de gewone patrijshonden waarmee wij op hazenjacht gingen. (...) Waar ze vandaan kwamen wist niemand, maar iedereen beweerde dat zijn vader en zelfs zijn vaders grootvader met soortgelijke hondjes ging jagen. Ook nu is dat ras niet uitgestorven. In de Antwerpse en in de Limburgse Kempen ontmoet men ze vaak. Het zijn nog altijd dezelfde honden als voor 40 jaar en nog langer terug, maar door kruising met andere jachthondenrassen zijn ze iets groter geworden en jagen ze op alle wild...'. Seegers maakte ook nog melding van diverse kunstenaars uit BelgiŽ en Nederland, van wie bekend is dat zij nooit in het buitenland zijn geweest, maar die toch perfecte Cocker SpaniŽls hebben afgebeeld, zoals de Vlaming David de Conink (geboren in 1636).

In 1894 werden voor het eerst Cocker SpaniŽls voor een Nederlandse tentoonstelling ingeschreven. Voor de verspreiding van het ras in Nederland zijn de heren Determeier en Paine Stricker van groot belang geweest. Andere fokkers van naam, die met importen en met eigen gefokte honden een gunstige invloed hebben uitgeoefend op het ras, waren onder andere Baronesse van Tindall en de heer en mevrouw Van Herwaarden.

bron: mijn hond, mijn vriend

 


© 2000 Woefkesranch, Slameuterstraat 29, 2850 Peulis (Putte) - (+32)015/75.59.42 - info@woefkesranch.be - Disclaimer - Sitemap - Links